De Jim Crow-wetten
waren de wetten die rassenscheiding oplegden op lokaal en deelstaatsniveau in de Verenigde Staten van Amerika. Deze wetgeving, daterend van na de periode van Reconstructie (Wederopbouw), was er op gericht zwarte Amerikanen te scheiden van de blanke burgers in de publieke instellingen en hen hun door de grondwet gegarandeerde stemrecht te onthouden. Deze wetten kwamen in de voormalige geconfedereerde staten tot stand vanaf 1880, die toen gedomineerd werden door de zuidelijke blanke Democraten en hielden stand tot in 1965.

Jim Crow is een verwijzing naar de minachtende karikatuur van Jim Crow, een zwarte slaaf, door de beroemde 19-eeuwse blanke acteur Daddy Rice. De uitdrukking Jim Crow-wetten werd voor het eerst gebruikt in 1892. The New York Times plaatste die toen in de titel van een artikel over het streven naar gescheiden treinwagons in de zuidelijke staat Louisiana.

Alhoewel de Constitutie van de Verenigde Staten vanaf 1870 geen discriminatie op basis van kleur of ras meer toestond, dekte het Federale Hooggerechtshof in Washington D.C. formeel deze ontwikkeling, zolang de staten maar zorgden voor faciliteiten onder de noemer separate but equal (gescheiden maar gelijk). Voorzieningen voor zwarte Amerikanen waren in de regel duidelijk van een lagere kwaliteit en meestal ondergefinancierd, vergeleken met die voor blanke medeburgers, soms waren er zelfs helemaal geen voorzieningen. Eerdere racistische wetgeving, daterend van onmiddellijk na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 - 1865), staat bekend als de Black Codes, maar de principes van deze wetten herleefden in de Jim Crow-wetgeving, twintig jaar later.

Openbaar onderwijs was in de Zuidelijke Staten al gescheiden sinds de Burgeroorlog. Dit werd later uitgebreid naar diverse overheidsvoorzieningen en naar transport, eerst in treinen, later in bussen. Jim Crow-wetten, die in Florida zelfs deel uitmaakten van de grondwet van deze staat, regelden segregatie in openbare scholen, publieke ruimten en openbaar vervoer. Er kwamen ook gescheiden toiletten, restaurants en drinkwaterfonteinen voor blanken en zwarten.

Deze wetgeving institutionaliseerde de economische, opleidings- en sociale ongelijkheid op basis van huidskleur. Segregatie door wetgeving bestond vooral in het zuiden van de VS, de discriminatie in het noorden was in zijn algemeenheid niet zo formeel, maar evengoed reëel: segregatie op de woningmarkt door privé-afspraken in woonwijken, praktijken bij het toestaan van leningen door de bankwereld, discriminatie op en rond de werkvloer, waarbij ook racistische opvattingen van bepaalde vakbonden bepalend waren. President Woodrow Wilson (1913 - 1921), zelf een zuidelijke Democraat, begon op vraag van zijn kabinet in 1913 aan de segregatie van de federale arbeidsplaatsen.

Het Amerikaanse leger was altijd al raciaal gesegregeerd geweest, vanaf zijn oprichting tijdens de Amerikaanse Revolutie (1765 - 1783) tot de uitvaardiging door president Truman van zijn Executive Order 9981 na de Tweede Wereldoorlog, in 1948. De laatste formele vormen van rassenscheiding in het leger verdwenen aan het einde van de Koreaanse Oorlog (1950 - 1954).